Lelievletten

De lelievlet is de meest gebruikte stalen zeil-, roei- en wrik­boot bij zeev­erken­ners­groepen van Scout­ing Ned­er­land.
Het zeekade­tko­rps maakt ook van de lelievlet gebruik. De lelievlet is gebaseerd op de beenhakkervlet.
De naam is afgeleid van het tra­di­tionele scout­in­gl­ogo, de Franse lelie.

Afmetin­gen:

  • Lengte: 5,60 m
  • Breedte: 1,80 m
  • Hoogte: 5,60 m
  • Gem. gewicht: 650 kg (casco)
  • Gem. gewicht: 9001000 kg (voltuig)
  • Zeilop­per­vlak: 12,15 m²
  • Diep­gang: 0,30 m

Geschiede­nis

Tot in de jaren vijftig wer­den er door Water­scout­ing­groepen aller­lei ver­schil­lende boten gebruikt. Vaak waren dit afgedankte red­dingss­loepen van de marine of roeis­loepen waar­van merk en type niet bek­end waren. Deze boten waren bijna altijd volledig van hout, waar­door het onder­houd dus veel tijd en geld kostte. Ook was het moeil­ijk om onderde­len te kun­nen ver­van­gen omdat het vaak om boten ging die ver­oud­erd waren.

In de jaren vijftig kwa­men er meer Water­scout­ing­groepen in Ned­er­land en dus werd de vraag naar varend mate­ri­aal groter. Daarom ging men op zoek naar een geschikt type boot voor de Water­scouts. Een stan­daard­boot zou de aan­schaffin­g­sprijs beïn­vloe­den, hoe meer boten er van dat type zijn, hoe lager de prijs zal zijn. Nog een voordeel van een stan­daard type boot voor alle Water­scout­ing­groepen is dat er onder­ling zeil– en roei wed­stri­j­den gehouden kun­nen wor­den omdat de boten van gelijke klasse zijn.

Deze boot moest vol­doen aan de vol­gende eisen:

  • er moest mee gezeild kun­nen worden
  • er moest, met vol­doende zitru­imte, door 6 per­so­nen mee geroeid kun­nen worden
  • er moest een mogelijkheid zijn om te wrikken

In 1955 gin­gen de Water­scout­ing­groepen op zoek naar een boot die aan deze eisen vold­eed en ze kwa­men terecht bij Teu­nis Been­hakker uit Kinderdijk. Hij had kort na de oor­log een ontwerp gemaakt voor een roei– en wrikvlet voor binnenvaart-​schippers. De groepen zagen wel wat in dat ontwerp en de heer A. Stock­man, schip­per bij de Titus Brands­ma­groep in Breda en com­mis­saris bij de Katholieke Verken­ners, paste het zo aan dat het ook als zeil­boot gebruikt kon wor­den. Er kwa­men onder andere een mast, een midzwaard en twee luchtkas­ten in. In 1956 bouwde Teu­nis Been­hakker twee vlet­ten voor proef. Hij maakte twee bijna gelijke vlet­ten: een­tje van 4,60 meter en een­tje van 5,60 meter. Het zeil was bij alle­bei de boten even groot: 12,5m2. Uitein­delijk werd de 5,60 meter boot uit­gekozen als meest geschikt.

De lelievlet werd, zoals al voor­speld was, een groot suc­ces. Tot 2006 zijn in Ned­er­land zo’n 1550 lelievlet­ten gebouwd. Lelievlet num­mer ‚1’ bestaat nog steeds en vaart nog steeds onder de vlag van de Titus Brandsma Groep uit Breda.

Er zijn inmid­dels ook een flink aan­tal vlet­ten door VMBO–scholen in licen­tie gebouwd, onder de vlag van het Boten­bouw­po­ject Vette Vlet­ten, Sail Ams­ter­dam 2005 en 2010 en Vlet­ten op de Maas. Sinds 1986 bouwt Tukker in Gor­inchem lelievlet­ten. In opdracht van de Edu­catieve Werk­groep Bin­nen­vaart Vlaan­deren heeft de werf zo’n 270 bouw­pakket­ten samengesteld. Daarmee kun­nen diverse Vlaamse tech­nis­che scholen schouwen in elkaar lassen. Daar kent men zo’n vlet onder de naam schelde­schouw. Mei 2013 kre­gen de leer­lin­gen van het VTI in Izegem het eerste pakket aangeleverd.

Bij Scout­ing Jut­ters Willem­so­ord vind je 7 vlet­ten. De vlet­ten zijn onderverdeeld onder de speltakken Stor­mvo­gels, Arg­onauten, WVA Sharks en Stam. De speltakken zijn ver­ant­wo­ordelijk voor het gebruik tij­dens het zom­er­seizoen en onder­houd tij­dens het winterseizoen.

Nereus

Nereus

Zeilnummer: 997
Bouwjaar 1979

Protheus

Protheus

Zeilnummer: 998
Bouwjaar 1979

Hydra

Hydra

Zeil­num­mer: 1375
Bouw­jaar: 1984

Glaukos

Glaukos

Zeil­num­mer: 1520
Bouw­jaar: 2004

Sparos

Sparos

zeil­num­mer: 1521
Bouw­jaar: 2004

Triton

Triton

Zeil­num­mer: 1522
Bouw­jaar: 2004

Deining

Deining

Zeil­num­mer: 1560
Bouw­jaar: